RESTAURATIE VAN DE WINTERTUIN

De restauratie van de Winteruin Dit artikel geschreven door Hans Vlaardingerbroek (architect) is eerder gepubliceerd in het tijdschrift Baerne, juni 2012, van de Historische Kring Baerne. Plaatsing op onze web site is in overleg met de Historische Kring.

In het jaar 2010 stelden Rijk en provincie een flink bedrag ter beschikking voor de restauratie van de Wintertuin in het Cantonspark. De gemeente vulde het bedrag aan, zodat de uitvoering na jaren van onzekerheid midden 2011 konden starten. De plannen voor de restauratie zijn gemaakt door het Utrechtse architectenbu­reau Vlaardingerbroek & Wevers dat gespecialiseerd is in restauratie en bouwhis­torie. De nadruk ligt op het herstellen van het casco, aangezien er bij de start van de werkzaamheden nog geen huurder - en dus ook geen definitieve functie - be­kend was. De werkzaamheden worden uitgevoerd door de aannemer Koninklijke Woudenberg Ameide en begeleid door het architectenbureau en Jorrit de Regt van de gemeente Baarn begeleid. De oplevering is medio 2012. Korte geschiedenis van de kas De kas of Wintertuin van het Cantonspark in Baarn is gebouwd in 1914-1915 in op­dracht van August Janssen.1 August Janssen was een Amsterdams koopman in koloniale waren, die in Baarn de villa’s Peking, Java en Canton in bezit had. In huize Canton -in 1793 door Reinhard Scherenberg in Chinese stijl gebouwd -woonde hij. Hij liet het huis slopen en liet in 1910 op dezelfde plaats een geheel nieuwe villa bouwen. Aan de over­zijde van de Javalaan liet hij door zijn tuin­baas J. Goossen het Cantonspark ontwerpen en aanleggen, met als pièce de resistance de Wintertuin (1914-1915).2 Ontwerper en bouwer was de firma G. Koelewijn, kas­senbouwers uit Baarn.3 Twee foto’s van bui­tenzijde en binnenzijde -deze laatste nog tijdens de bouw - vormen de eerste afbeel­dingen van de Wintertuin. In 1918 kwam het park met de Wintertuin aan de Staat der Nederlanden die het bestemde als botani­sche tuin voor de Rijksuniversiteit Utrecht. In 1931 werd het oostelijk deel van de kas afgescheiden voor de huisvesting van tro­pische planten afkomstig van landhuis De Duno bij Doorwerth.4 Er is toen ook extra verwarming aangebracht. Vermoedelijk is toen ook de verwarmingskelder buiten het gebouw samen met de huidige keukenuit­bouw aangebracht. In 1955 werd aan de noordzijde een extra uitbouw gerealiseerd in opdracht van de Rijksgebouwendienst. Deze herbergt thans de ingang - een wij­ziging uit 1990-91. De oorspronkelijke in­gangen richtten zich alle op het park. In de jaren 1980 werd het Cantonspark verlaten door de universiteit en concen­treerde deze de hortus in de Uithof. In 1987 werd het park voor één gulden overgedragen aan de gemeente Baarn, die er een openbaar park van maakte. De Wintertuin werd in 1990-1991 verbouwd en deels gerestaureerd. Nadien werd in de kas een galerie, de Sytsema Galleries, ge­vestigd. De werkzaamheden waren ingrij­pend van aard en behelsden grootscheeps houtherstel, vernieuwing van alle glas en een totale vernieuwing van de glaskap. Na deze renovatie is het onderhoud danig tekort geschoten, zodat nu alweer een in­grijpende restauratie noodzakelijk is. Het is niet waarschijnlijk dat de laatste (onder) huurder, Palmcourt galeries, weer terug zal komen in de Wintertuin. Een nieuwe functie is nog niet bekend.

Beschrijving De Wintertuin is een min of meer oost­west georiënteerd kasgebouw met een langwerpige vorm, gelegen tegen de noordgrens van het Cantonspark. De bui­tenwerkse maten zijn ongeveer 41 bij 25 meter. De opzet is symmetrisch en wordt gekenmerkt door een oplopende hoogte­vorm naar het middendeel, dat tot de nok een hoogte van bijna 13 meter bereikt.5 Dit middendeel wordt gedekt door gebogen dakschilden die worden gedragen door sa­mengestelde, stalen spanten. Deze dragen het zogenaamde dakhuis6 dat voorzien is van te openen ramen en een glaskap. De huidige vorm van dit dakhuis is geheel het gevolg van de verbouwing van 1990. Oorspronkelijk hadden de ramen een roe­deverdeling, die na de huidige restauratie terug zal komen. Naast het middendeel bevinden zich aan weerszijden twee lagere delen -onder de nok bijna 7,5 meter hoog. Het dak wordt hier gedragen door houten spanten die op ongelijke afstanden van elkaar zijn ge­plaatst en aan de onderzijde voorzien zijn van ijzeren stangen

Naast middendeel en zijbeuken bevinden zich aan de oost-en westzijde twee erkers, die dienden als toegang. Aan de zuidzijde is een gemetselde uitbouw met twee dub­bele deuren aanwezig die oorspronkelijk diende als hoofdingang. Afwijkend van de andere bouwdelen is het dak hier slechts gedeeltelijk voorzien van glas. Het platte deel is gesloten. De dubbele, doorslaande deuren naar het middendeel en het glas in het venster tussen de twee dubbele deuren in zijn nu niet meer aanwezig, maar zullen bij de restauratie opnieuw worden aange­bracht. Vrijwel alle daken waren oorspronkelijk voorzien van stalen liggers waarin het glas dakpansgewijs was opgenomen. Dit type glasroeden wordt patentroeden genoemd. Het glas is opgelegd op geplooid zink, dat ook voor de afvoer van condenswater zorgt. De patentroede wordt afgedekt met zink dat tevens de aansluiting (en afdich­ting) met het glas verzorgt. Deze patent­roeden zijn in de jaren 1990 vervangen door aluminium glasroeden bezet met ka­naalplaten van kunststof. Deze platen ble­ken niet duurzaam en waren op veel plaat­sen gescheurd. De dakbedekking was dan ook verre van waterdicht en was dringend aan vervanging toe. De roeden waren oor­spronkelijk bezet met zogenaamd Engels geribd glas, een ondoorzichtige vormglas­soort. De gevels van de noord-en zuiduitbouw bestaan voor een groot deel uit steens metselwerk, uitgevoerd in kruisverband. De noordgevel van middendeel en zijbeu­ken is eveneens gemetseld. De noordwand

van de zijbeuken is aan de buitenzijde voorzien van steunberen. De noordwand van de middenbeuk culmineert een hoge schoorsteen, die na de jaren 1950 van vorm gewijzigd is.8 Behalve de noordgevels zijn alle wanden opgebouwd uit glas gevat in houten ko­zijnen. De gevels van de zijbeuken zijn ge­ritmeerd door toepassing van afwisselend grotere, getoogde vensters en kleinere rechtgesloten vensters. Voor de buitenge­woon forse ruiten, waarvan de grootste wel 2,25 bij 3,25 meten, werd spiegelglas9 gebruikt, een gegoten en daarna glad ge­polijste glassoort. De zone net onder de dakgoot was voorzien van glas in lood in vrij eenvoudige vormen. Een klein deel van dit glas in lood is tot op de dag van van­daag bewaard gebleven, met name in de oostelijke en westelijke erkers. De hogere zones van de wanden van het middendeel waren bezet met Engels geribd glas.Lees verder>>